Voor mensen met een handicap begint echte zelfbeschikking bij de juiste ondersteuning. Deze is immers een belangrijke schakel om zelf keuzes te maken in het dagelijks leven. In Vlaanderen is die ondersteuning vandaag echter niet altijd gegarandeerd: ze hangt af van schaarste, wachttijden en toeval. Daarom is het dringend nodig dat het recht op deze ondersteuning beter in de wet wordt vastgelegd. Zonder zo’n afdwingbaar recht blijft zelfbeschikking slechts een belofte op papier.
Zelfbeschikking is een fundamenteel recht: het recht om over je eigen lichaam, leven en toekomst te beslissen. Maar die zelfbeschikking bestaat nooit in een vacuüm. Wie vrij kan kiezen, welke middelen beschikbaar zijn, en welke manieren waarop mensen hun leven organiseren - zoals wonen,werken en relaties - maatschappelijk worden ondersteund of ontmoedigd, wordt bepaald door sociale, economische en politieke structuren. Op het snijpunt van gender, handicap, klasse en migratieachtergrond blijkt dat keuzes keer op keer ongelijk verdeeld zijn.
In Vlaanderen wordt het recht op ondersteuning – en daarmee dus de zelfbeschikking van mensen met een handicap –structureel uitgehold door een beleid van schaarste. In plaats van voldoende middelen te voorzien zodat iedereen met een erkende ondersteuningsnood die ondersteuning ook effectief krijgt, werkt de overheid met vaste enveloppes en tijdelijke oplossingen die systematisch tekortschieten. Zonder financiële steun, wordt autonomie een lege belofte.
Zonder voldoende vergoeding om ondersteuning te betalen, hangen personen met een handicap volledig af van de goodwill van anderen. Ze kunnen dan niet zelf bepalen wie hen ondersteunt, wanneer en hoe. Het gaat daarbij niet alleen om medische zorg, maar om ondersteuning bij alle activiteiten waarbij ondersteuning nodig kan zijn: werken, een hobby uitoefenen, vrienden ontmoeten, wonen, boodschappen doen, een gezin uitbouwen, of zich verplaatsen. Zonder centen voor die ondersteuning geraken mensen sociaal geïsoleerd, wordt hun positie nog kwetsbaarder en is er van inclusie geen sprake.
Bovendien toont onderzoek aan dat financiële en zorgafhankelijkheid op het vlak van zorg, huisvesting en veiligheid als risicofactoren de kwetsbaarheid voor geweld verhogen (UGent, 2023). Maar liefst 48 procent van de vrouwen met een handicap wordt slachtoffer van fysiek of seksueel geweld. Dat is bijna dubbel zo hoog als bij vrouwen zonder handicap. Geweld tegen vrouwen met een handicap terugdringen betekent dus ook hun afhankelijkheid verkleinen. Bijvoorbeeld door mogelijk te maken dat ze zelf hun ondersteuning organiseren en kiezen wie hen helpt, onder meer via een toereikend persoonsvolgend budget.
Daarnaast maken structurele factoren het moeilijker voor vrouwen met een handicap om hun partner te verlaten. Zo hebben zij een werkzaamheidsgraad die 7,9% lager ligt dan die van mannen met een handicap (EU-SILC, 2025) en halen zij dus minder inkomen uit betaald werk. Inkomensregels zorgen ervoor dat wie een vervangingsinkomen ontvangt, een deel van dat inkomen verliest bij samenwonen, wat financiële afhankelijkheid versterkt. Sociale woningen zijn vaak ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers. Vluchthuizen en hulplijnen zijn onvoldoende aangepast om specifieke ondersteuning te bieden voor mensen met een handicap.
Schaarste treft tegelijkertijd ook de bredere sociale netwerken. Wanneer ondersteuning onvoldoende wordt gefinancierd, schuift de verantwoordelijkheid door naar familie, vrienden of partners. In de praktijk komt deze zorg vaak terecht bij vrouwen, die hun betaald werk terugschroeven of stopzetten en daarvoor betalen met lagere inkomens en pensioenen. Tegen beleid dat deze effecten creëert en versterkt bestaat dan ook breed protest, onder meer vanuit mantelzorgverenigingen, vakbonden en feministische organisaties.
Wie over voldoende financiële middelen beschikt, kan ondersteuning inkopen op de private markt. Die wordt vaak geleverd door vrouwen met een migratieachtergrond, die niet zelden in precaire arbeidsomstandigheden werken. Onderfinanciering van ondersteuning tast zo niet alleen de zelfbeschikking van mensen met een handicap aan, maar ook die van wie zorg verleent.
GRIP wijst daarom terecht op de nood om ondersteuning niet langer als een gunst of optionele beleidskeuze te behandelen, maar als een afdwingbaar mensenrecht dat wettelijk wordt verankerd én voldoende wordt gefinancierd. Furia ondersteunt deze eis.
Vandaag staan bijna 18.261 mensen met een handicap op de wachtlijst voor een persoonsvolgend budget (VAPH, 2024). De langst wachtende wacht al meer dan twintig jaar. Budgetten worden tijdelijk verhoogd, gehalveerd of aangepast, maar structurele oplossingen ontbreken. Zo wordt autonomie afhankelijk van toeval, individueel vermogen of informele zorg.
Als een samenleving onvoldoende middelen voorziet, rijst de vraag: voor wie zorgen we wel, en voor wie niet? Schaarste wordt dan gebruikt om verantwoordelijkheid af te schuiven op individuen en hun informele netwerken. Van het realiseren van gelijke rechten gelijke kansen voor iedereen is dan geen sprake. Verschillen in ondersteuning vertalen zich in ongelijkheid in rechten en in toegang tot publieke diensten, zoals mobiliteit, zorg en andere essentiële voorzieningen.
Zorg en ondersteuning mogen geen gunsten zijn die afhankelijk zijn van schaarste. Dit is een politiek probleem dat collectieve oplossingen, structurele investeringen en toegankelijke publieke voorzieningen vereist. Een van de manieren om dat te realiseren, is de toegang tot persoonsvolgende budgetten sterker en afdwingbaar in de wetgeving te verankeren.
Ondersteuning is geen kostenpost. Het is een voorwaarde voor gelijkheid, solidariteit en rechtvaardigheid.

