Op 16 februari 1966, dag op dag 60 jaar geleden, legden zo’n 3.000 arbeidsters van wapenfabriek FN in Herstal het werk neer. Het was het begin van twaalf weken staking tegen de loondiscriminatie in hun bedrijf. Els Flour van Furia ziet parallellen met de situatie vandaag.
Voor veel mensen startte 2026 met ongerustheid over en protest tegen de zware ingrepen van de regering De Wever in de sociale zekerheid. Bij sommigen zorgen de acties en stakingen voor frustratie, bij anderen roepen ze begrip op.
Stakingen doen per definitie pijn. Ze zijn een drukkingsmiddel, een manier om overleg af te dwingen, om aandacht te vragen voor bekommernissen die anders worden genegeerd. Dat was zestig jaar geleden zo. En dat is ook vandaag het geval.
FN Herstal: een ijkpunt
Op 16 februari 1966 legden zo’n 3.000 arbeidsters van wapenfabriek FN in Herstal het werk neer. Het was het begin van twaalf weken staking tegen de loondiscriminatie in hun bedrijf. Die discriminatie was overduidelijk: de vrouwen (zo’n 30% van het personeel) zaten bijna zonder uitzondering in de drie laagste looncategorieën – waarin nauwelijks mannen waren ondergebracht. Dit soort loondiscriminatie bestond toen in zowat alle bedrijven.
Het principe “gelijk loon voor gelijk werk” wasin 1957 opgenomen in artikel 119 van het Verdrag van Rome, maar werd in geen enkel land dat tot de Europese Economische Gemeenschap toetrad daadwerkelijk toegepast. Ook niet in België. Juriste Eliane Vogel-Polsky beet zich vast in de kwestie en vond gehoor bij de vrouwenwerkingen van de vakbonden. De arbeidsters van FN vroegen daardoor niet ‘gewoon’ een hoger loon, ze verwezen expliciet naar artikel 119 en het principe van loongelijkheid. Die insteek zorgde mee ervoor dat de staking bij FN Herstal zo’n inspirerende sociale actie werd: ze maakte pijnlijk zichtbaar hoe hardnekkig economische ongelijkheid was, wakkerde het bewustzijn over vrouwenrechten aan, creëerde solidariteit tussen de arbeidsters en de feministische beweging en tussen arbeidsters over de grenzen heen.
Op 6 mei beëindigden de vrouwen hun staking. Hun uurloon steeg met 2,75 frank – een reële vooruitgang, maar minder dan geëist en lang geen loongelijkheid. Pas in 1975 werd CAO 25 over gelijk loon voor gelijk werk afgesloten.
Juridische vooruitgang, politieke achterpoortjes
Inmiddels probeerde Eliane Vogel-Polsky via gerechtelijke weg loondiscriminaties aan te kaarten. In 1968 haalde ze een eerste overwinning: een rechter verklaarde de verschillende werkloosheidsvergoedingen voor vrouwen en mannen die toen bestonden discriminerend. De gevolgen waren verstrekkend: in 1971 maakten vaste bedragen – die afhankelijk waren van je geslacht, leeftijd en gezinssituatie – plaats voor een vergoeding op basis van je loon.
Een eerlijke oplossing? Niet helemaal. Toenmalig minister van Sociale Zaken Louis Major (BSP) wilde de uitkeringen van vrouwen niet optrekken tot het niveau van mannen – dat was te duur. Door een berekening op basis van de lonen kregen vrouwen, die gemiddeld minder verdienden, nog steeds een lagere werkloosheidsvergoeding dan mannen. Maar nu “zonder discriminatie”.
De ongelijkheid van vandaag
Een aanpak à la Major lijkt ook in de 21ste eeuw regeringen te inspireren. Cru gesteld: zorg dat er in je sociale wetgeving geen sprake is van ‘mannen’ of ‘vrouwen’, dan is er ook geen sprake van discriminatie als dat beleid een verschillende uitkomst heeft voor hen. De wet gender mainstreaming, die een toetsing oplegt van de genderimpact van nieuwe wetgeving, wordt al jaren op deze trieste wijze “toegepast”. Ook de drastische hervormingen van de arbeidsmarkt en in de sociale zekerheid gelden als neutraal, terwijl ze vrouwen disproportioneel treffen.
Zo zullen de nieuwe pensioenmaatregelen de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen verder verdiepen. Van alle gepensioneerden die de vereiste loopbaanjaren niet halen en daardoor met een pensioenmalus worden geconfronteerd, zijn liefst 8 op de 10 vrouwen. Ook de verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt zal vrouwen hard treffen: minder voorspelbare uurroosters wegen zwaar op de combinatie van betaald werk en privéleven; een grotere inkomensonzekerheid dreigt het armoederisico van vrouwen nog verder te verhogen.
We klagen die ongelijke impact aan, in solidariteit met alle andere groepen die getroffen worden door de asociale maatregelen. De strijd voor vrouwenrechten is een strijd voor betere levens voor iedereen, en blijft brandend actueel. Reden te meer om op 8 maart, Internationale Dag van Strijd voor Vrouwenrechten, samen op straat te komen. Wij willen niet alleen bestaan, we willen goed kunnen leven. We willen brood, en we willen rozen.
Els Flour is bestuurslid bij Furia.
Foto: Vrouwenstaking FN Herstal © Fonds Léon Desarcy
.png)
