Netwerk

Gezinnen zijn vloeibaar: over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid

Datum: 29 mei 2017 Categorie: Nieuws
Gezinnen zijn vloeibaar: over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid

Als geen ander heeft de feministische beweging bijgedragen tot de evolutie van het begrip gezin. Ook nu blijven feministen het beleid aansporen om mensen niet te beperken in hun keuzevrijheid op het gebied van relaties en samenlevingsvormen. De realiteit is divers, en onze wetgeving loopt achter.

Greet Ramon: In de straat waar ik woon, werd een huis opgedeeld in drie appartementen. Blijkt nu dat dit een bouwovertreding is: onze straat is blijkbaar ingetekend als gebied voor eengezinswoningen. Eengezinswoningen zijn op sommige plaatsen de standaard voor ruimtelijke ordening. Of hoe een bouwovertreding illustreert dat ons ruimtelijk ordeningsbeleid, en bij uitbreiding onze wetgeving en ons beleid in het algemeen, impliciet of expliciet nog steeds van het vertrouwde kerngezin vertrekt. Het belang van het kind zou bij de keuze voor die samenlevingsvorm vooropstaan.

Als feministische beweging stellen wij ons bij Furia (het vroegere Vrouwen Overleg Komitee) daar vragen bij (zie ook getuigenis). Wij zien het gezin als een netwerk van mensen die zorgen voor en geven om elkaar, of ze nu biologisch verwant zijn aan elkaar of niet. Daarom pleiten we ook dat er meer vormen van ouderlijk gezag erkend zouden worden dan alleen of vooral die op afstamming is gebaseerd. En we pleiten ook voor de erkenning van meer relatievormen. De huidige situatie zorgt immers voor talloze knelpunten in de dagelijkse realiteit van vrouwen en mannen. Vandaag bestaan er heel wat andere relatie- en samenlevingsvormen: nieuw samengestelde en eenoudergezinnen, holebikoppels, vrienden of verwanten die samenhuizen, een kind opvoeden samen met de biologische vader zonder met hem een partnerrelatie te hebben, relaties met meer dan twee, met of zonder (biologische) kinderen. Ook het aantal alleenwonenden is historisch hoog.

Tot op zekere hoogte volgt het beleid deze evoluties: holebi’s kregen toegang tot het huwelijk en tot adoptie, lesbische meemoeders stuiten niet langer op discriminatie bij het creëren van een juridische band met hun kind, echtscheiding werd makkelijker, enkele gemeentes proberen voorzichtig om cohousing-initiatieven te ondersteunen, en er staat een hervorming van het burgerlijk recht op stapel.

Barrières en vooroordelen

Toch stuiten mensen die op een niet-traditionele manier leven, nog steeds op verrassend veel barrières en/of vooroordelen. Tijdens de Vrouwendagen van 2015 en 2016 getuigden vrouwen over de talloze knelpunten waarmee ze te maken krijgen: de puzzel met het domicilieadres bij co-ouderschap, stedenbouwkundige voorschriften die cohousing bemoeilijken, de onmogelijkheid om in een polyamoureuze relatie een juridische band te creëren met meer dan één partner, moeilijkheden bij het juridisch erkennen van niet-biologische kinderen. Wie een kinderwens heeft en niet in een relatie zit, kan bij een fertiliteitscentrum werken met sperma van een onbekende of bekende donor (lees: partner), maar niet met dat van een vriend die geen partner is. En het statuut van samenwonende in de sociale zekerheid beperkt de vrijheid om al dan niet samen te wonen, en is niet afgestemd op bijvoorbeeld cohousing.

Dit is maar een eerste greep concrete knelpunten die we putten uit getuigenissen en literatuuronderzoek. In samenwerking met middenveldorganisaties met expertise ter zake willen we een inventaris opstellen van beleidsmaatregelen om die knelpunten weg te werken.

Daarnaast zijn we een visietekst aan het ontwikkelen over relatie- en samenleefvormen vanuit feministisch perspectief. De keuzes die mensen al dan niet maken inzake wonen, relaties, samenleven … staan niet los van maatschappelijke ordeningsprincipes. Gender speelt dus een rol, net als etniciteit, sociale klasse, en seksuele voorkeur. Furia wil de impact van gender en de kruispunten met andere machtsassen zoals sociaaleconomische positie, etniciteit, seksuele oriëntatie en seksuele voorkeur, genderexpressie, leeftijd, en beperkingen, op dit terrein analyseren.

Ongewenst samenwonen

Om een voorbeeld te geven: het lijkt ons plausibel dat vrouwen door hun gemiddeld zwakkere sociaaleconomische positie vaker in een situatie zitten van ongewenst samenwonen dan mannen. Door vaker deeltijds te werken wat dan weer voortvloeit uit verwachtingen omtrent zorg, en tekort aan betaalbare voorzieningen verdienen ze vaak te weinig om financieel op eigen benen te staan. Dat maakt hen afhankelijk van een partner die de rest van het inkomen binnenbrengt, ook als ze die relatie liever zouden verlaten. Vrouwen uit etnisch-culturele minderheden en vrouwen met een beperking zijn extra kwetsbaar, omdat hun financiële afhankelijkheid vaak extra groot is. Het is bijzonder schrijnend dat het beleid bijdraagt aan deze mechanismen via het statuut van samenwonende in de werkloosheid, dat vooral vrouwen treft met een lage uitkering. Dat kan trouwens ook leiden tot een situatie van ongewenst alleen wonen: een werkloze vrouw durft bijvoorbeeld niet te gaan samenwonen met haar geliefde, omdat ze vreest dan een deel van haar uitkering te verliezen.

Vanuit feministisch perspectief kijken we niet alleen naar machtsverhoudingen die vrouwen (en mannen) met verschillende achtergronden beperken in hun keuzevrijheid. Feminisme stelde het concept relatie in vraag, en experimenteerde en experimenteert ermee. Dit leidde op zijn beurt tot experimenten met collectieve voorzieningen, gedeeld wonen en alternatieve samenleefvormen. Furia hoopt van hieruit het gezinsbeleid te inspireren om aanvullend te werken op ecologische, sociale en/of economische argumenten voor anders wonen.

Getuigenis uit het boek: Ons gezin is een ‘work in progress’

Ik heb samen met mijn ex-partner drie kinderen van 2, 4 en 6 jaar. We wonen samen in een cohousingproject, maar hebben elk een eigen unit. Mijn ex is de voornaamste zorgfiguur van twee kinderen die zij op de wereld zette. Ik ben de primaire zorgfiguur voor mijn biologische kindje. De term ‘biologisch’ gebruik ik hierbij niet als een hiërarchisch criterium, maar gewoon voor de duidelijkheid. Het samenleven loopt door elkaar, maar twee van de kindjes hebben hun slaapkamers dus bij mijn ex, en eentje bij mij. We beschouwen onszelf als een samensmelting van twee gezinnen en benoemen onszelf allebei als ouder van de drie kinderen. De kinderen doen dat ook, en zien zichzelf als broertjes en zusjes, terwijl ze dat biologisch niet zijn.

In het gezin van mijn ex hebben de twee kinderen nog een extra zorgfiguur, hun biologische vader. Hij woont ook in het project en is hun wettelijke en feitelijke ouder, zelfs als hij minder zorgtaken opneemt dan ik. Het derde kindje heeft een bekende donor, die geen ouderrol heeft. Mijn ex wordt mogelijk nog de tweede wettelijke ouder. Als ouders verdelen we de zorgtaken onder elkaar. Die verdeling kan variëren door de tijd heen, en gebeurt los van wettelijk of biologisch ouderschap.

We zijn nog steeds wat op zoek naar hoe ons ‘co-gezin’ vorm te geven, los van het traditionele kerngezin. Momenteel is mijn ex in het buitenland met de twee kinderen waar zij de primaire zorgfiguur voor is. Daardoor zijn we nu meer twee echt aparte gezinnen, ook al gaan we elke maand een week op bezoek om het samenleven als één gezin toch niet helemaal te verliezen. Sinds kort heb ik een nieuwe relatie, en misschien komen daar nog andere bij – ik ben polyamoor. Ook mijn ex staat open voor een nieuwe partner. Dat zal waarschijnlijk een effect hebben op de gezinsverhoudingen, al weten we nog niet op welke manier. Ons samengesteld gezin is als zovele een work in progress.

De vormt varieert naargelang de omstandigheden en noden: soms overlappen de twee gezinnen elkaar bijna volledig, soms is de doorsnede klein. Zo’n vloeibaarheid is moeilijk in woorden uit te drukken en aan de buitenwereld uit te leggen. We blijven praten, en verliezen de belangen van de kinderen niet uit het oog. Ouderschap is een engagement. Ik blijf ouder, ongeacht waar de kinderen wonen of wie er nog meer voor hen zorgt.

In de feiten ben ik dus ouder van twee kinderen die noch juridisch, noch biologisch ‘mijn’ kinderen zijn. Deze situatie wringt op tal van vlakken met wettelijke en andere rechten en plichten. Zo is de erkenning van het feitelijke ouderschap volledig afhankelijk van het vertrouwen van de wettelijke ouders, en van de goodwill van allerlei instanties zoals mijn werkgever en de school. Onze drie kinderen zijn dankzij het begrip van de schooldirectie ingeschreven als broers en zussen, terwijl ze dat juridisch gezien niet zijn. We hebben ook geen rechten noch plichten die samenhangen met afstammingsrecht. Voor mijn twee niet-biologische kinderen wil dat zeggen dat zij als ‘vreemden’ niet automatisch van mij kunnen erven en dat ik mijn nalatenschap per testament zal moeten regelen, met een hoog belastingtarief (45 à 65 procent) tot gevolg. Voor ouderschapsverlof bestaat ook geen wettelijk kader. Bij ziekte, maar ook bij de geboorte van een kind hang je volledig af van de goodwill van je werkgever (en van je financiële toestand) om onbetaald verlof te mogen nemen. Bovendien misloop je allerlei financiële voordelen. Zo ontvang je een lagere kinderbijslag, krijg je geen voordelige dagprijs voor meerdere kinderen in opvang en geen korting voor grote gezinnen.

De starre interpretatie van het concept ‘gezin’ door onze overheden stelt ons dagelijks voor problemen. Dit is niet in het belang van het gezin, en zeker niet van het kind.

Dit was een stuk (p. 264-266) uit het boek 'Het gezin in Vlaanderen 2.0. Over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid' met redactie door Dirk Luyten, Hans Van Crombrugge & Kathleen Emmery. Uitgave bij Garant, door medewerkers van het HIG (Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen).

Het boek kunt u hier verkrijgen.

SCHRIJF JE IN VOOR ONZE NIEUWSBRIEF

Blijf op de hoogte van onze acties en evenementen!